The WYSS Website / Die WYSS Webseiten / Na Leathanaigh WYSS
Home / Heim / Abhaile
BÜCHER, ABHANDLUNGEN, AUFSÄTZE

 

HELLA HAASSES OEROEG: DE SCHADUW VAN HET VERLEDEN

© R. WYSS 2007

In dit opstel wordt in haken naar volgende uitgave verwezen:
Haasse, Hella S. Oeroeg. Amsterdam (Querido) 2006.

 

Hella Haasse werd al door haar eersteling “Oeroeg” onmiddellijk bekend en verbaasde de critici met haar meesterschap als schrijfster. Het werk wordt nu als klassieker beschouwd en vaak op school gelezen. Een van de redenen is misschien dat deze roman vrij kort is en toch voor de lezers een wereld opent die nu sinds meer dan vijftig jaar verdwenen is en in de loop van het verhaal zelf verdwijnt.

Verwikkelde verhoudingen
De verteller, een nog vrij jonge volwassene, verklaart in den beginne, dat het in zijn verhaal over een vriendschap gaat. Hij uit zijn droefenis, en wij kunnen zijn verhaal lezen als poging, om het verleden te begrijpen en het verlies van vriendschap en geboorteland te verwerken. Wij lezen hoe twee jongens, de ikpersoon en Oeroeg, met elkaar in een nauwe betrekking opgroeien. Zij verwijderen zich dan van elkaar om verschillende redenen maar groeien toch weer op elkaar toe, en deze beweging herhaalt zich totdat de lezer getuige van de scheiding wordt, die bij de mislukte terugkomst van de verteller naar Indië  bevestigd wordt.
Dat is het raam waarin zich het verhaal afspeelt. De achtergrond van de nauwe relatie tussen de twee jongens is het laatste tijdperk van het Nederlandse kolonialisme in Indië. De tijd waarop de beide vrienden zich definitief vervreemden valt samen met het beginnende verval van het Nederlandse gezag vóór de bezetting van de eilanden door Japan gedurende de Tweede Wereldoorlog. Het verslag des vertellers over de oorlogsjaren is dan heel summarisch en vaag en wordt aan het hoofdzakelijke voorwerp van de roman ondergeschikt.
Wat bij het lezen moet beacht worden, is het feit, dat  de beide jongens als figuren in de roman in meer dan één zin des woords op verschillende niveaus optreden en verschillende rollen spelen, hetzij in de romanstructuur of in de maatschappij. De verteller herinnert zich zijn jeugd in het koloniale Nederlands-Indië. De jongen groeit daar als blanke jongen op, als zoon van de Nederlandse administrateur van een landbouwonderneming te Kebon Djati.  Oeroeg, zijn spelgenoot, is echter een inlander en dus per definitie een ondergeschikte. De nauwe verhouding tussen de beide jongens is eigenlijk in die tijd niet bedoeld, en in hun omgeving beschouwen zowel Europeanen als inlanders hun vriendschap als uitzondering, die ze in het algemeen niet goedkeuren. Van belang is in de roman echter niet alleen het raciale en sociale verschil tussen de beide jongens.  De ene van deze beide hoofdpersonen treedt namelijk als volwassene verteller van gebeurtenissen op, die hij als kind heeft beleefd, terwijl de andere uitsluitend door de ogen en het geheugen van de verteller gezien wordt en dus door  ’s vertellers zienswijze  uitgelegd en geduid wordt, maar ook op zekere wijze onduidelijk blijft, én voor de lezer én, al ook anders, voor de verteller zelf.
Deze is zich ervan bewust, duidelijker dan hij het reeds als kind voelde, dat hij zijn vriend Oeroeg niet helemaal verstond. Oeroeg is “anders”, niet minderwaardig zoals “inlanders” in overeenstemming met de koloniale minachting van de jaren dertig beschouwd werden, maar hij behoort toch een andere cultuur toe en zelfs de ikpersoon beleeft reeds als kind Oeroegs gedrag soms als vreemd. In de roman wordt helemaal weinig directe rede gebruikt, het beeld dat wij als lezers van Oeroeg krijgen wordt door de verteller vermiddeld. De verteller ziet zijn leven en zijn noodlot met Oeroeg verknoopt, meer dan met enige andere mensen. Dus wordt niet alleen maar verteld wat er in de loop der jaren gebeurde, der verteller doet ook herhaaldelijk een pogingen om zijn toenmalige vriend te begrijpen en tenslotte ook zijn verandering van vriend tot vijand.  Het lukt niet, zoals de verteller ook geen troost voor zijn noodlot en het heimwee naar zijn geboorteland vindt.  Dat  de vriendschap met Oeroeg en het geliefde geboorteland voor hem verloren zijn, blijft als wonde in zijn gemoed terug. 
Wij hebben al aangeduid dat het onderwerp van deze roman niet alleen de gebeurtenissen in Nederlands-Indië bevat, die de verteller in zijn jeugd heeft beleefd, maar ook en in nog grotere mate het bewustzijn van de vreemdheid, het geheimzinnige en onverklaarbare in Oeroegs gedrag, de gedachte aan en het nadenken over het helemaal niet erkenbare in zijn persoonlijkheid. Deze  gewaarwording verandert  vanzelfsprekend in de loop der jaren,  maar zij wordt vooral duidelijk tussen de verteller en de ikpersoon.  Die beiden zijn wel dezelfde persoon, maar moeten toch uiteengehouden worden, omdat de verteller zijn jonkheid op tijdelijke en ruimtelijke afstand bekijkt.  Nederlands-Indië bestaat niet meer, en de banden van de verteller met  het Oeroeg zijn voorgoed verbroken, alleen de herinnering en de rouw blijven achter.
Afstand is dus een belangrijk kenmerk van deze roman, en dat wordt beklemtoond door het feit dat  de verteller wel een man, maar de auteur een vrouw is.  Zo waarborgt de schrijfster dat  geen verwisseling mogelijk is tussen schrijver en verteller.   

Ontwikkelingen en veranderingen
Wat zijn dan de gebeurtenissen, die het leven van de ikpersoon en Oeroeg stempelen? Slaagt de verteller er enigszins in zijn belevenissen zo voor te stellen dat wij ten minste kunnen vermoeden, waarom zich de betrekking tussen de beide jongens zich zo ontwikkelt als zij dat doet?
Kleuterleeftijd
De eerste voorwaarde  voor hun nauwe verhouding is dat de ikpersoon en Oeroeg bijna even oud zijn en dat hun moeders met elkaar bekend worden.  De moeder van de ikpersoon is pas in Indië aangekomen en voelt zich eenzaam, “verstoken van sekse- en rasgenoten” (6).  Oeroegs moeder heet Sidris en is de vrouw van Deppoh, de mandoer. Door de verheven stelling van Deppoh in de onderneming te Kebon Djati is een toenadering mogelijk tussen de twee vrouwen en ze wordt verder  begunstigd doordat beiden haar eerste zwangerschap doorlopen en haar vertrouwelijke verhouding nog niet door kinderen “gestoord” wordt.  Zij wisselen hun gedachten en ervaringen, terwijl ze met naai- en verstelwerk bezig zijn, en verstaan blijkbaar zelfs elkaars gevoelen trots geringe kennis van elkanders taal.  De ikpersoon en Oeroeg worden dan ook elkanders spelgenoten. Hun betrekking word versterkt doordat de moeder van de ikpersoon na een miskraam geen verdere kinderen meer  kan krijgen.  De ikpersoon blijft de enige blanke  jongen op de onderneming,  en hij brengt een groot deel van zijn tijd met Oeroeg en zijn gezin toe. Hij spreekt dan ook beter Soendanees dan Nederlands. Zijn moeder lijdt echter toenemend aan hoofdpijn en trekt zich meer en meer terug,  zijn vader is vooral met zijn werk bezig een besteedt niet veel tijd aan zijn zoon,  en de verhouding tussen de echtgenoten is ook aan het luwen.  In de regentijd is de vader van de ikpersoon wel vaker thuis,  en dan eten allen in het gezin soms tezamen, maar dan voelt zich de jongen "nooit op [zijn] gemak” (11).
De ikpersoon voelt zich dus in Oeroegs gezin meer thuis dan bij zijn eigen vader en moeder, en toch komt hem Oeroegs gedrag soms zonderling voor. Deze laat bijvoorbeeld dieren van verschillende soorten tegen elkaar vechten; dat staat de ikpersoon tegen ofschoon hij opgewonden toekijkt. “Oeroeg was niet wreed, hem ontbrak alleen het gevoel dat een westerling vaak een dier doet sparen en eerbiedigen in halfbewust verwantschap[s]besef.” (9) De ikpersoon neemt waar dat Oeroeg handig en altijd waakzaam is. “Zolang ik me herinneren kan, week uit zijn ogen nooit die gespannen, zoekende blik, als wachtte hij op een geluid, een signaal, dat niemand horen kon dan hij.” (8) Zoals de meeste inlanders lacht Oeroeg nooit met open mond. De verteller wijst er op dat hij als jongen deze vreemdheid van Oeroeg nog niet zo duidelijk voelde: “Toen ging ik nog zo op in onze spelen dat ik me deze dingen maar vaag bewust was.” (8)
Lessen in het Hollands en een ramp
Toen de ikpersoon zes jaar oud is, besluiten zijn ouders hem naar school te zenden. Maar hij krijgt voor het eerst een privaatleraar, Mijnheer Bollinger, die hem in “fatsoenlijk” Nederlands zal onderwijzen. Gedurende die privaatlessen worden leraar en pupil van Oeroeg, die in de buurt blijft, nauwkeurig geobserveerd. Het lukt niet Oeroeg voorgoed weg te sturen, en Mijnheer Bollinger en zijn leerling gewennen zich aan zijn aanwezigheid.
De ouders van de ikpersoon krijgen bezoek uit Batavia, en ter afwisseling komt er een vrolijke stemming op. Anders dan gewoon ziet de vrouw keurig uit, maar terwijl dan op de gasten gewacht wordt, is de ikpersoon is niet op zijn gemak en voelt, dat er grote veranderingen ophanden zijn. Wij krijgen hier er een goed voorbeeld voor, dat de verteller zijn geheugen niet helemaal trouwt en zich afvraagt hoeverre hij wist, wat de oorzaak van zijn gemoedsstemming was: “Ik weet niet of ik me dit alles toen zo bewust was, het kan zijn dat ik nu achteraf een interpretatie zoek voor die stemming van melancholie en vage ergernis.” (15)
De ikpersoon staat gedurende het bezoek met zijn houding, gevoel en stemming in felle tegenstelling tot de volwassenen. Er volgt een gebeurtenis, waarvan Oeroeg uitgesloten blijft. Er wordt spontaan een uitstapje naar het bergmeer Telaga Hideung, het Zwarte Meer, besloten. De gedachte aan dit meer is voor de ikpersoon verknoopt aan griezelijke verhalen die Satih, een van Oeroegs nichten, verteld heeft. Het Zwarte Meer ligt verscholen achter hoge bomen aan de voet van een klip, en volgens Satih zijn er daar allerlei spoken en monsters, en de vampier Nènè Kombèl loert daar op dode kinderen. De ikpersoon kan dan niet verstaan dat de volwassenen zo zorgeloos zijn. Eigenlijk heeft de ikpersoon gelijk: Het is weliswaar niet Nènè Kombèl, die op het geselschap loert, maar er dreigt wel gevaar.
Aan dit tochtje kan nu Oeroeg uitgesloten, maar zijn vader Deppoh speelt er een belangrijke en ook tragische rol. Hij wordt getoond als een ideaalfiguur: hij is “de mooiste inlander..., slank en groot, met een uitzonderlijk scherp getekend gezicht” (17). Hij is ook verstandig, en toont een zekere minachting voor de blanken. Dat is verstaanbaar, want de Hollanders maken hier geen goede figuur. Voor het eerst ontdekt de ikpersoon dat zijn moeder de hand van Mijnheer Bollinger vasthoudt, en de lezer gist dat de beiden een verhouding hebben. De Nederlanders gedragen zich op het meer als kinderen. Deppoh is ermee bezig, hen voor schade te behoeden. Hij stuurt het vlot naar een plek in het meer, waar het mogelijk is te zwemmen zonder door slingerplanten vastgehouden te worden. De mannen duiken luidruchtig na elkaar. Na het bad letten ze niet op Deppohs waarschuwingen en zetten hun jacht, door de vrouwen aangemoedigd, op het vlot voort totdat de bamboe barst. Deppoh slaagt erin de ikpersoon te redden, maar wordt zelf door de slingerplanten gevangen en verdrinkt. Hij is het enige slachtoffer. 
De dood van Deppoh betekend voor zijn gezin dat het naar een minder huisje moet vertrekken en niet meer van de privileges geniet die met Deppohs stelling als mandoer verbonden waren. De vader van de ikpersoon wilde eigenlijk zijn zoon van de omgang met Oeroeg ontwennen, en zelfs voor de moeder, die verdraagzamer schijnt te zijn, komt het eigenlijk niet in aanmerking dat ook Oeroeg naar school gaat: “Wees toch niet zo dom. Oeroeg is immers een inlandse jongen.” (13) Maar Oeroeg woont bij de huisjongen van de administrateur en wordt nu, zoals de ikpersoon, naar school gestuurd, al ook niet naar dezelfde. De verteller laat de vraag open staan, waarom Oeroeg tenslotte ook naar school mag: rekening met het verdriet van de ikpersoon, schuldbesef tegenover Deppohs gezin, de eisen die Sidris stelt bij haar bezoek aan de moeder van de ikpersoon. (23)
Een verdere grote verandering in de omgeving van de ikpersoon is, dat eerst zijn leraar en dan zijn moeder veertrekken. Weliswaar is het band van de ikpersoon met zijn moeder niet meer zo sterk, maar doordat ook zijn vader zich weinig om hem bekommert, wordt de eenzaamheid van de ikpersoon niet minder. Zijn betrekking met Oeroeg blijft dan des te belangrijker.
Schoolopleiding – Europeanen en inlanders – Lida, een hebbelijke Hollandse
Er zijn twee redenen, waarom de ikpersoon zich meer dan eenmaal tegen zijn vaders plannen voor zijn opleiding stelt. Ten eerste kan zij zich een leven zonder Oeroeg niet voorstellen (39, 43), en ten tweede is hij ook aan het Javaanse landschap gehecht. In zijn houding wordt hij bevestigd door Gerard Stokman, die op de onderneming Mijnheer Bollinger vervangt. Gerard kent Holland wel, maar voelt zich daar niet thuis. Hij houdt echter van Java en zijn natuur. Met de beide jongens leidt hij in zijn vrije tijd een padvinderleven in de bergen, als lezer voelen we wellicht, dat het de gelukkigste tijdperk in het leven van de ikpersoon is. En terwijl zowel zijn moeder als zijn vader erop bestaan dat hun zoon als Europeaan hoger staat in de rangschikking der mensen en in zijn later leven voor een hogere opleiding en baan bestemd is dan Oeroeg, legt Gerard hem uit dat Oeroeg wel “anders” is, maar als vriend van de ikpersoon niet “minder” kan zijn (41).
De roman waarover wij het hebben is van buiten af bekeken vrij eenvoudig opgebouwd. Na de inleiding volgt het levensverhaal van de verteller in de tijdelijke volgorde. Maar de verteller is tegelijkertijd een uitlegger. Dat blijkt o.a. uit de bladzijden, waar Lida, die voor Oeroeg heel belangrijk zal worden, aan de lezer voorgesteld wordt. Zij treedt op als eerlijke, onverkrampte vrouw zonder vooroordelen en met een “praktische geest” (46). Een typische Calviniste, zouden we graag willen toevoegen, iemand die optimistisch in het goede van de mens gelooft, en daartoe argeloos als een kind. Zij wordt door Oeroeg aangetrokken. De verteller wijt dit aan haar moederinstinct, haar onbewuste drang naar het exotische of aan haar gedachte aan haar eigen moeilijke jeugd. Maar de verteller stelt deze uitleggen alleen als pogingen voor, haar te verstaan. “Misschien” is het steekwoord van zijn uitleg, het antwoord blijft open. Later in de roman vinden wij verdere, uitvoerigere gissingen en vermoedens van de verteller over Lida’s redenen, zich zo sterk om Oeroeg te bekommeren. Maar ook dan blijft het antwoord open: “Ik weet niet welke gevoelens Lida ertoe bewogen zich zo geheel en al aan Oeroeg te wijden.” (58)
Toen Oeroeg in Kebon Djati zijn privileges verliest en er toenemend verwaarloosd uitziet, zorgt Lida ervoor dat hij zoals de ikpersoon in haar pension mag logeren. Zij neemt hem onder haar vlerken. Het hoofd van Oeroegs school vindt, dat Oeroeg slim genoeg is voor hoger onderwijs. Daarna besluit Lida, Oeroeg aan een goede opleiding te helpen en stelt hem voor, arts te worden.
In deze roman gaat het wel over veranderingen in de relatie tussen twee jongens, maar het gaat er ook over dat ze de wereld op verschillende leeftijd anders zien en het ook merken. Het is dan de verteller, die zulke veranderingen in woorden vat en zo ook zijn belevenissen verwerkt. Duidelijk speelt de verteller in dit boek zijn eigen rol. Misschien is het ook aan de speeldrift van de auteur te danken, dat zij als vrouw een mannelijke romanfiguur als verteller geschapen heeft. Maar zoals wij al aangeduid hebben, kan de schrijfster zo ook een misverstand voorkomen. Zelfs voor een “naïeve” lezer is het van begin af duidelijk is dat de verteller geen alter ego van de schrijfster is alhoewel deze met hem haar Indische achtergrond deelt en in haar herinnering inspiratie voor landschappen, mensen en gebeurtenissen in het boek vindt. Na hun lagere opleiding in Soekaboemi afgesloten te hebben, keren de jongens naar Kebon Djati terug. Na een jaar in “Lida’s zindelijke huis” (51) valt hen het vuil in ’t huis van Oeroegs gezin op. Maar vooral de rivier, hun speelgrond, beleven zij niet meer op dezelfde wijze.
Met iets als teleurgestelde verbazing merkten Oeroeg en ik echter... dat wij van het baden in de rivier niet meer onverdeeld genoten. Misschien is dat te sterk uitgedrukt... Het verschil was dat wij het zwemmen, de rivier, het flonkeren van den stroom, met andere ogen zagen, met ogen die niet meer in staat bleken de reële wereld als een wereld van wonderen te zien... Terwijl wij languit op een platte steen lagen te drogen, flitste de werkelijke betekenis van deze veranderingen door mij heen. Er was iets voorbij. Wij waren geen kinderen meer. (52-3)

Batavia – Oeroegs toepassing
Na het toelatingsexamen wordt de ikpersoon naar de hbs in Batavia gestuurd, waar hij in het schoolinternaat te wonen komt. Oeroeg gaat echter naar de mulo en wordt door Lida in haar nieuwe pension ondergebracht. Het blijkt dat zij voor Oeroeg naar Batavia verhuist is. Oeroeg aanvaardt haar hulp als vanzelfsprekend en dankt haar niet met bijzondere respect. Terwijl de ikpersoon aan een vrij strenge orde gebonden is en zich na negen uur niet buitenhuis mag ophouden, geniet Oeroeg van zijn vrijheid, soms met de ikpersoon in zijn kielzog. Zij gaan naar de bioscoop en naar cafés, treffen ook meisjes en krijgen danslessen. Oeroeg kleedt zich als Europeaan en zet zijn topi, zijn mohammedaanse pet, niet meer op, spreekt nu uitsluitend Nederlands en wil als kleurling doorgaan, tot de “diepe verbazing” van de ikpersoon: 
“Ik wist dat hij voor deze bevolkingsgroep altijd een aan afkeer grenzende geringschatting had gevoeld. Maar zijn verlangen om zich met de Europese wereld te assimileren was zo groot dat hij zelfs deze concessie scheen te kunnen doen. (59)

Oeroeg begint dan ook een verhouding met twee lichte meisjes in Lida’s pension. Lida voelt zich tegen hem niet meer opgewassen en besluit – op eigen rekening – hem in het internaat, waar de ikpersoon woont, onder de toezicht van een man te brengen. Behalve Oeroeg logeren daar alleen blanken. Oeroeg tracht op de andere jongens indruk te maken, maar dat lukt niet. Zij tonen geen vijandige instelling, ze stellen gewoon geen belang in hem.
Oeroeg trekt zich eerst terug, de ikpersoon voelt wat hem bedroeft: Hij kan geen Europeaan worden, ook al doet hij veel moeite. De verteller kijkt terug en gelooft te verstaan dat dit de keerpunt in hun relatie was: “Waarschijnlijk was het ook in deze tijd dat de verwijdering tussen Oeroeg en mij begon te ontstaan.” (66) Oeroeg komt onder de invloed van een zekere Abdullah en heeft steeds minder omgang met de ikpersoon. De eenzaamheid, die de ikpersoon op bezoek in Kebon Djati voelt – Gerard is met verlof - , staat in tegenstelling met de tevredenheid van zijn vader. Deze geniet van zijn nieuwe gezin, zijn resolute vrouw heeft huis en tuin verschoond en schijnt zelfs over de onderneming te bestemmen. De ikpersoon prent zich het landschap in zijn geheugen; hij voelt, dat het eigenlijk een afscheid is. Jaren later keert hij nog eenmaal terug, maar dan is alles veranderd, de onderneming neergebrand. 

Soerabaja – Oeroegs verzet
Oeroeg volgt in Soerabaja een medische opleiding. Hij woont met Abdullah samen, en Lida volgt hem weldra. Zij betaalt voor zijn opleiding, want hij wil niet in gouvernementsdienst gaan. Op bezoek in Soerabaja begrijpt de ikpersoon dat hij op het punt staat in zijn geboorteland een vreemdeling te worden, voor Oeroeg en zijn vrienden is hij een vertegenwoordiger van hun verdrukkers geworden. De ikpersoon begint te verstaan dat zijn vroegere vriend zich aan een beweging heeft aangesloten, die zich op het verzet tegen de koloniaalmacht voorbereidt. Het valt op dat er in deze roman weinig directe rede gebruikt wordt, ze komt alleen voor in sleutelpassages. Vooral Oeroeg horen wij zelden spreken vóór het gesprek dat hij en Abdullah in Soerabaja met de ikpersoon voeren. Dit gesprek betekent dan ook de voltooide splitsing tussen de voormalige vrienden. In de nacht hoort de ikpersoon de “vertrouwde geluiden van de Indische nacht”, maar hij is buitengesloten van het geheime gesprek tussen Oeroeg en Abdullah in de kamer daarnaast: “De scheiding tussen hun wereld en de mijne was volkomen.” (77)
De verteller stelt Oeroeg als een passieve mens daar, die de ikpersoon, Lida en anderen aantrekt en onder zijn ban brengt (58, 63). Maar de aantrekkingskracht van Abdullah schijnt nog sterker te zijn, nevens Oeroeg wordt ook Lida zijn aanhanger. Lida verschijnt als een tragische figuur, haar verandering is volledig. Lida is een Hollandse, die haar hebbelijke Nederlandse zeden en eigenschappen naar Indië uitgevoerd heeft en nu Maleis spreekt, Javaans leert en aan de zijde van de inlandse verzetsstrijders staat. De ikpersoon voelde medelijden met haar, hij weet haar meedoen met de rebellen aan haar eenzaamheid. De verteller meent: “Had ik al deze dingen toen scherper voor mezelf kunnen formuleren, dan was misschien veel anders gelopen.” (77) Als lezer vraagt men zich wellicht af, wat de ikpersoon dan had kunnen doen, maar de zij is in elk geval een uitdrukking van diep berouw en verdriet.
Vaarwel aan Java
De volgende jaren worden kort samengevat. Laat in de jaren dertig vertrekt de ikpersoon naar Europa, de Tweede Wereldoorlog breekt uit en Nederlands-Indië wordt door Japan bezet. Na de oorlog keert de ikpersoon in de dienst van de regering naar Java terug (78). Dichtbij de vernielde onderneming van Kebon Djati ontmoet hij Oeroeg, die hem bedreigt: “’Ga weg’, zei hij in het Soendanees, ‘ga weg, anders schiet ik. Je hebt hier niets te maken.” (82) Maar ook hier verkeren wij in het ongewisse. De verteller is niet zeker of wil het niet wezen, dat het werkelijk Oeroeg was, die hij ontmoet heeft. Hij kan zijn uiteenzetting met zijn leven niet afsluiten en zijn verlies alleen ten dele verwerken omdat hij op zijn voornaamste vragen geen antwoord krijgt. Het boek begint met de zin: “Oeroeg was mijn vriend.” Maar heeft de verteller gelijk? We horen Oeroeg immers nooit met zijn eigen woorden of door zijn handelen bevestigen, dat hij zijnerzijds de ikpersoon als zijn vriend beschouwt. Was hij, nuchter bezien, werkelijk meer dan een spelgenoot en schoolmakker? Wel speelt de betrekking tussen de beide jongens door heel hun jeugd voor beiden een grote rol, maar het is wel mogelijk dat ieder van hen deze relatie anders opvat of voelt. De verteller zegt zelf dat hij Oeroeg niet werkelijk kende en vergelijkt hem met het gevaarlijke Zwarte Meer:
“Het is overbodig toe te geven dat ik hem niet begreep. Ik kende hem, zoals ik Telaga Hideung kende – een spiegelende oppervlakte. De diepte peilde ik nooit.” (84)
Het beeld dat wij van Oeroeg krijgen, als wij de eigenschappen samenvatten, waarvan wij in dit opstel gewaagd hebben, is niet vleiend. Oeroeg wordt getekend als een waakzame, terughoudende, geheimzinnige , maar ook wrokkige en eerzuchtige mens, die zonder dank Lida, zijn weldadiger, uiteet. Misschien zijn de begrippen “vriend” en “vriendschap” gehecht aan houdingen een voorstellingen, die in de Javaanse cultuur geen precies equivalent hebben.
Hoe dan ook, Oeroeg is een treurig verhaal, maar een mooi roman die velen ook graag zullen meer dan eenmaal lezen.